droedel
© Bianca Boer
Niets uit deze uitgave mag zonder schriftelijke toestemming van Bianca Boer worden gekopieerd, gedownload, verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier.

Troost en de geur van koffie

De tv gaf een blauwe gloed aan de kamer een dofblauwe glans aan de overgordijnen, een heldere glimp aan de koffiekopjes en hun schoteltjes, een waas over de bank en een scherpte op haar gezicht. Het zat in de lijnen rond haar mond, in de rimpels op haar voorhoofd.
De voeten van de oude vrouw lagen op een kruk met een zacht kussen. Haar pantoffels stonden eronder, netjes naast elkaar. Het blauw haakte in haar kousen, nestelde zich in de donkere plekjes tussen haar tenen.
De nacht was al een tijdje bezig de dag in te halen. De oude vrouw had nog geen lamp aangeknipt. Ze merkte de schemering niet. Hoe donkerder het werd, hoe verder het blauw de kamer introk. Het was al bij de fotolijstjes. Naast haar voeten lag de afstandsbediening. Haar rug kraakte toen ze vooroverboog.
"Kijk pa, het begint. Je koffie wordt koud." Op tafel stonden twee kopjes koffie waar damp vanaf kwam.
De startmelodie van de soap stierf weg. Daar was Marian. Gisteren heeft Marian verteld dat ze een kind had gehad. Het was gestorven, lang geleden. De meeste mensen kenden haar van later, nadat het kind was overleden.
Daar ging het vandaag verder.
"Dat zijn geen dingen waar je makkelijk over praat." zei Marian.
De oude vrouw zag hoe de blonde vriendin van Marian haar hand voor haar mond sloeg. Dat het toch niet voor te stellen was dat je je kind overleefde, zei ze. Dat het afschuwelijk moest zijn geweest voor Marian. Dat het eigenaardig was dat je je dode kind altijd bij je droeg. Dat er vrienden genoeg zijn die niet wisten dat zij moeder was. Was het trouwens een meisje of een jongen?
"Je bent altijd alleen met je verdriet. Het slijt nooit."
De oude vrouw volgde de soapserie eerder niet zo, maar dit raakte haar.
"Hoor je dat pa? Zo is het precies, daar praat je niet over."
Voor de buitenwereld hadden zij alleen een dochter. Maar negenenvijftig jaar geleden, in het laatste jaar van de oorlog, kregen ze een zoon. Hij was hun eerste kind, de eerstgeborene. Alles zat er op en er aan. Hij had kleine haartjes over zijn hele lichaam, net een vachtje. Zijn oogleden zaten vastgeplakt en hij had minuscule wimpers. Zijn handen waren tot vuisten gebald. Hij lag in elkaar gekruld als een rups. Er was maar één ding mis, hij haalde geen adem. In die tijd wisten ze nog niet zoveel als nu. Die dingen gebeuren nu eenmaal.
Inmiddels was het zo lang geleden dat niemand het meer wist. Pa wist het, zij wist het en hun dochter wist het omdat ze elk jaar nog naar zijn graf gingen. Verder niemand. Nu wist zij het van Marian. Het was een schok voor de oude vrouw. Aan Marians gezicht zag ze hoe ze zich voelde. Je kind bleef je kind, ook al was het dood.

Op het kastje, onder het schilderij van de haven met de zeilschepen, stonden de foto's. Ze pakte ze één voor één, veegde ze af met haar stofdoek. Het waren er veel. De laatste tijd meer dan vroeger. Pa stond er vaak op. In alle periodes van hun leven. Hun trouwdag; een grauwe foto, twee jonge mensen naast een fiets, aan het stuur een tuiltje bloemen. De jurk die ze droeg was geleend, in de oorlog was alles schaars. Pa, groot en sterk met hun dochter op zijn arm, het kind droeg een trui van uitgehaalde wol. De eerste vakantie in de zomer van '54. Hun meisje met spillebenen over de rand van het zwembad van de camping, pa een nat hoofd in het water. Pas toen er kleurenfoto's waren en fotograferen goedkoper werd, waren er foto's van hem waarop hij niet poseerde, waar hij te pakken genomen was op een onverwacht ogenblik. Zo was er één van hem tijdens het vissen, daarop zag je alleen zijn achterkant. Hij droeg zijn bruine pet en het vissersoverhemd. Zijn ruggengraat maakte een regelmatige rij schaduwen van zijn nek naar beneden, als het skelet van een dinosaurus in een museum. Ze herkende zijn rug altijd, soms is een rug net als een vingerafdruk. Zijn brede schouders, zijn schouderbladen waarvan de omtrek te zien was, zijn bovenarmen die de laatste jaren losser in hun vel zaten.
Zijn middel had ze zo vaak omklemt, dat het gebaar in haar armen zat. Soms betrapte ze zichzelf erop dat ze zo, met haar ogen dicht, midden in de kamer stond.
Alle foto's raakte ze even aan. Bij sommige glimlachte ze. Ze lette er bij het terugzetten op, dat ze exact op dezelfde plek kwamen. Zelfs als ze alle foto's weg zou halen, bleef het de plek waar ze hadden gestaan. Waar ze hoorden. Zo was het ook met hem.
Toen ze klaar was met stoffen haalde ze de zware stofzuiger uit het berghok. Het was een ouderwetse met een metalen stang en piepende zwenkwielen. Vlak voor pa met pensioen ging, was dit het nieuwste type. In het berghok stond er nog één in de doos. De nieuwe eigenaar van hun elektronicazaak had die niet willen overnemen. Achter de stofzuiger stonden drie dezelfde tv's in dozen. Op de plank vijf keukenweegschaaltjes.
In het hele huis vond je her en der spullen die ooit in de winkel hadden gestaan. Haar dochter spoorde haar om de zoveel tijd aan die oude troep weg te gooien. Ze kon het niet over haar hart verkrijgen.
Ze reed de stofzuiger de kamer in. Het licht was anders, ze zag dat boven de tafel de lamp gesprongen was. Dat was werk voor hem. Ze zette een lampje van 40 watt klaar op tafel.

Je bent onderaan de eerste bladzijde van 'Troost en de geur van koffie' gekomen. Dit is het titelverhaal van mijn eerste boek dat verscheen in mei 2007.